Johan
van Breukelen (1952), beeldend kunstenaar, vormgever, en begeleider
van groepen rondom bewustzijn en persoonlijke groei. Hij is sinds 1985 verbonden aan Stichting Mannenwerk. Ruim
25
jaar training en ervaring in het leiden van groepen rondom bewustzijn in
het hier en nu, contact maken en het creatief vormgeven van je eigen leven.
Daarnaast
werkt hij sinds 1991 als trainingsacteur
mee aan trainingen rondom het verwerken van traumatische ervaringen en als
coach bij verschillende projecten waarbijbedrijven, organisaties en individuen ondersteund worden bij
verandering.
Hij
is oorspronkelijk zijn
artistieke werk begonnen als licht en decorontwerper bij verschillende
theatergroepen. Sinds 1989 is hij zich serieus bezig gaan houden met
2dimensionaal werk waarin hij 'tekent met licht'. Hij maakt fotowerken en
foto’s. De fotowerken zijn een combinatie van fotografie en gemengde
schilder en teken technieken. De foto's zijn
puur fotografie zonder (computer) manipulatie.
De
foto’s en fotowerken kenmerken zich door het spel met licht, donker en
spiegeling.In zijn werk
probeert hij iets van het mysterie zichtbaar te maken van
mannelijke seksuele energie, kracht en kwetsbaarheid. Van Breukelen is
gefascineerddoor de schaduwzijde van (homo) seksualiteit met al zijn
vervormende aspecten. Hij laat tegelijkertijd ook de onschuld en de
schoonheid van het verlangen zien, het zoeken naar contact en verbinding.
Het fotowerk van Van Breukelen is sinds 1991 gezichtsbepalend voor Stichting Mannenwerk, die is gericht op persoonlijke ontwikkeling en emancipatie
van mannen. Daarnaast doet Johan de vormgeving van Trio Thijs. Dit is een muziek trio
waarvoor hij ook teksten schrijft.
Het
fotowerk van Johan van
Breukelen was eerder te zien o.a. in de Melkweg Galerie, Galerie
1718 en Galerie Faubourg in Amsterdam, Galerie Westzijde, Broers,
’t Hoogt, Brandweerkazerne, Galerie Moira in Utrecht, Galerie de Lelie,
R*ART galery in Antwerpen enGalerie
Janssen in Berlijn
'Mijn
kunstenaarschap is niet pas begonnen vanaf het moment dat ik mijn
eigen werk ging publiceren, tentoonstellen en verkopen. Het was er al op
vele momenten eerder in mijn leven. Ver voordat het er ‘officieel’
was. Wat mij betreft zit ‘kunstenaarschap’ voornamelijk in een manier
van ‘anders’ kunnen kijken naar de dingen, en ze daardoor ‘anders’
en intenser te ervaren. En natuurlijk in wat je daar mee doet, hoe je iets
van die intense ervaringen uitdrukt en vormgeeft. In een kort overzicht
van mijn persoonlijke ontwikkeling wil ik een paar gegevens en momenten in
mijn leven beschrijven die van invloed zijn geweest op de richting die ik
gekozen heb.
Ik
ben geboren in 1952 als jongste van een arbeidersgezin met acht
kinderen. Een ‘nakomertje ‘ in een gezin waar alle patronen van hoe er
met elkaar werd omgegaan al vast lagen. Het was een groot, heftig en
chaotisch gezin in een veel te klein huis. Ik vond nauwelijks aansluiting
bij het leven van mijn oudere broers en zussen. Een deel van mij hing de
clown uit om aandacht te trekken. Een ander deel trok zich terug en creëerde
een eigen fantasiewereld.
Als
jongetje van vier zag ik vanuit mijn bedje de meest wonderlijke
schaduwen en lichten over mijn slaapkamermuur voorbijtrekken. Een
toverachtige wereld van licht en donker die me meevoerde, waarin ik
allerlei avonturen beleefde, maar waarin ik me tegelijkertijd ook thuis en
veilig voelde.
Een
buurmeisje was onderwijzeres. Zij tekende prachtige kabouters en
prinsessen in de poëziealbums van mijn zussen. Ik kon maar niet begrijpen
dat iemand die ik kende en die zo dichtbij ons woonde, dat zó mooi kon
doen. Van haar kreeg ik op mijn vijfde verjaardag mijn eerste kleurdoos van
‘Caran D'ache.’ Ik tekende voornamelijk vormen en vlakjes die niet
iets speciaals voorstelden en kleurde die in.
Begin
jaren zestig kwam er een TV in huis. Er waren regelmatig Duitse shows
te zien met humor, dans en zang. Ik was gefascineerd door het licht en de
bewegingen van de camera’s. Ik was een jaar of negen en ik kon aan de
schaduwen zien hoeveel lampen er op een artiest gericht stonden. De
‘Kessler Tweeling’ waren destijds populaire en verblindend mooie
zangeressen, maar ik had voornamelijk oog voor hun zes schaduwen!
Toen
ik twaalf was schreef ik op school een toneelstuk met mijzelf als
‘Zwarte Harry’ in de hoofdrol. Op het eigenhandig geschilderde affiche
had ik mezelf als een gemaskerde schurk in een zwarte maillot en met een
zwarte hoed afgebeeld. Vanwege ‘overweldigend succes’ mochten we het
stuk in verschillende klassen spelen.
Als
kind had ik vroeg begrepen dat ik ‘anders’ was.Alle dingen die voor iedereen om me heen zo vanzelfsprekend leken
waren dat niet voor mij. Ik wist zeker dat ik niet wilde trouwen, geen
kinderen krijgen, niet in militaire dienst, niet twintig jaar werken bij
dezelfde ‘baas’, zo wie zo niet bij een baas!Ik had geen voorbeelden om me heen van hoe het anders kon. Op de
lagere school wist ik al dat ik op jongens viel.De enige homo in het dorp was de voorzitter van de Connie Francis
Fanclub, over wie gezegd werd dat hij een ‘verwijfd type’ was. In het
naburige dorp was ooit ook nog een homo geweest, maar die had zich,
volgens een zus, om die reden opgehangen. Beiden nou niet bepaald een
rolmodel voor mij.
Jongens
uit mijn milieu gingen na de lagere school automatisch naar de lagere
technische school om timmerman, automonteur, metaalbewerker of schilder te
worden. Het woord ‘schilder’ klonk nog het minst hard. In mijn
schilderstijd heb ik genoten van het mooi en heel maken van dingen, van de
geuren en kleuren van de materialen, van het plezier om met mijn oude,
gebonden, ovalen buskwast van varkenshaar de verf strak te laten lopen
over de schuine kant in een raamsponning zonder dat de verf ging zakken.
Waar ik minder van genoot was de mannenwereld waarbinnen het werk zich
afspeelde, de dagelijkse gesprekken die niet veel verder gingen dan
voetbal, auto’s, uitgaan, zuipen en lekkere wijven! Niet persé de
onderwerpen waar mijn belangstelling toen naar uit ging.
Ondertussen
was ik thuis op mijn kamertje altijd bezig van alles te maken: bouwsels
van hout, glas en doeken. Overal lampen die ik vanuit mijn bed kon
bedienen, schetsboeken vol getekende popsterren, behang naar eigen ontwerp,
enzovoorts. Ook maakte in ik die tijd plakboeken die ik op een geheime
plaats bewaarde, met foto’s en artikelen over ‘de vrije liefde’,
hippies en vaag seksueel getinte onderwerpen die ik uit de Muziekexpres,
de Panorama en andere tijdschriften knipte.
Ergens
in een artikel las ik iets over een homosoos voor studentenjongeren op
de zondagavond op de Keizersgracht in Amsterdam. Ik was zestien toen ik de
stoute ‘punt’-schoenen aantrok en daarheen ging. Ik heb twee avonden
buiten op de gracht van een afstand staan kijken voor ik naar binnen
durfde. Het waren daar ‘homo’s’
die ook nog eens ‘student’ waren, dus ver boven mijn stand. Pas bij de
derde keer durfde ik naar binnen te gaan. Ik werd verwelkomd door Pater
van Kilsdonk die me meteen op mijn gemak stelde en me de daarop volgende
keren altijd even aansprak om te vragen hoe het met me ging.Bij mijn derde bezoek werd ik gevraagd door een fotograaf om samen
met een zwarte jongen (gekleed) te poseren in zijn studio in Amsterdam.
Toen ik dit in mijn enthousiasme de volgende dag aan mijn
schildercollega’s vertelde zeiden ze: ‘dat zullen dan wel homo’s
wezen!’ Ik wist dat ik deze verschillende werelden nooit bij elkaar zou
kunnen brengen, en dat ik daar uiteindelijk weg moest.
Ik
heb een tijdje saai administratief werk gedaan op een kantoor en was
voornamelijk blij dat mijn schildersoveral uitmocht. Tussen 1972 en 1976
had ik een geweldige tijd als leerling verpleger in een psychiatrisch
ziekenhuis. Ik voelde me thuis tussen de ‘patiënten’: iedereen was
‘anders’ en niemand was helemaal normaal.We maakten goed gebruik van de vrijheid die we in die tijd hadden
om leuke en bijzondere dingen te doen met de gehospitaliseerde patiënten.
Ik herinner me een bejaarde man die al jaren lang alleen maar in een stoel
voor zich uit had zitten staren. Ik heb een doos kleurpotloden voor hem
gekocht en een tekenblok. Tot ieders verbazing heeft hij vervolgens twee
jaar lang iedere dag huizen getekend. Op de dag dat hij stierf vonden we
op zijn laatste blad een tekening van een bootje op het water.
In
1975 heb ik de man leren kennen met wie ik in 2005 ook getrouwd ben.
We hebben drie kinderen waarvan we er twee samen met twee vrouwen hebben
opgevoed. Van al mijn kunstwerken zijn mijn relatie en mijn vaderschap wel
de meest belangrijke. Het vormgeven en steeds opnieuw creëren van beide
is een altijd doorgaand proces.
Eind
jaren zeventig ging ik letterlijk spelen met licht en donker en vormen
bij verschillende jeugdtheatergroepen. We maakten producties die zowel in
theaters als op scholen en buurthuizen werden gespeeld. Het was iedere
keer een feest en een uitdaging om de meest onmogelijke en naargeestige
locaties om te toveren in ‘een zwarte doos’. Zodat
het decor, de spelers en het verhaal uitgelicht konden worden en de magie
van theater kon gaan werken. Kinderen waren vaak helemaal verrast over de
wonderlijke werelden die binnen hun school gecreëerd werden.
Halverwege
de tachtiger jaren nam ik ontslag bij het theatergezelschap waarbij ik
vijf jaar lang de vaste vormgever was geweest. Ik had een geweldige baan
en alle vrijheid, maar ook het idee dat er meer mogelijk was! En het
verlangen groeide om iets te maken wat helemaal uit mijzelf kwam en niet
alleen in opdracht van anderen. De leegte en de onzekerheid die ik had
geschapen na het opgeven van mijn baan bleken een vruchtbare bodem te zijn
voor het experimenteren met en het vinden van een eigen vorm en stijl.
In
diezelfde periode wilde ik ook meer zicht krijgen op mijn gevoelsleven
en mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik ging naar een weekend over ‘mannen
en persoonlijk leiderschap’.Er
ging een nieuwe wereld voor mij open. Ik leerde daar mijn licht ook te
laten schijnen over mijn ínnerlijke schaduwen. Ik begon te begrijpen hoe
en waar ik mezelf in de weg zat: mijn onderwaardering, mijn afkomst, het
niet stil willen staan bij wat er in mijn leven pijn deed. Ik
kwam een paar keer terug en binnen een half jaar leidde ik daar zelf
groepen en paste in wezen dezelfde principes toe die ik ook in mijn
kunstenaarschap hanteer: werken en spelen met de gegevens die je hebt.
Stilstaan. Kijken naar wat er is. Zijn met wat er is. Je laten raken en
inspireren door de bewegingen van licht en donker, kleuren en vormen. Je
diepste verlangen voelen. Je ‘bliss’ volgen! '
Actuele
verhalen
Voor
de site van Stichting
Mannenwerk schrijft Johan regelmatig een tekst in 'de geest van het
mannenwerk'
‘De
Handen van Pa’
20
juni Vaderdag 2010
Dag Vader!
Zeventien jaar geleden, in de zomer van 1993, stierf mijn vader op 83
jarige leeftijd. Het gebeurde niet onverwachts maar het verdriet was er
niet minder om. Ik hield van mijn vader en was blij met de tijd die we
samen zijn laatste tien jaren hebben doorgebracht. Het waren goede jaren
waarin ik bijna wekelijks naar mijn geboorteplaats fietste om daar mijn
oude dove, en vaak boze vader aan te treffen.
Hij leefde teruggetrokken en als ik bij hem kwam was er altijd even tijd
nodig om contact te maken. Als hij dan door z’n weerstand heen was
kwamen de verhalen, meestal over vroeger. Ik schrok niet terug
van zijn
chagrijn, sterker nog ik vond het wel leuk. Ik zag mijn eigen boosheid in
hem terug. Ik herinner me dat ik in die jaren, binnen het mannenwerk, vaak
over mijn vader sprak en dat ik aan het contact met hem kon merken dat ik
steeds meer volwassen werd. Eerst dacht ik nog iets nodig te hebben van
hem; aandacht, gezien worden, erkenning, waardering. Toen ik het omdraaide
en hem die aandacht, erkenning en waardering ging geven, wás het er ook
allemaal! Door er voor hem te
zijn was ik er ook voor mezelf.
Concreet koester ik nog steeds het boekje dat we samen hebben gemaakt ter
gelegenheid
van zijn
80e verjaardag.Een
rijk geïllustreerd boekje met als titel ‘Allemaal Rampen!’ Met daarin
zijn levensverhaal over hard werken, armoede, lief en leed, in
zijn eigen
handschrift. Geschreven voor zijn acht kinderen. Een verhaaldat veel duidelijk maakte over zijn afkomst en onze familie
geschiedenis. Een verhaal waardoor je ook meer begreep van deze
‘moeilijke’ man!
Zo beschreef hij bij voorbeeld hoe hij als kind van 11 door z’n vader en
moeder voor 100 gulden en een oude kaas voor een jaar verhuurd werd aan
een boer. Zeven dagen in de week van ’s morgens 3 tot ’s avonds 9 uur
slavenwerk. Hij had daar een levenslange haat tegenover boeren aan
overgehouden.
Ben nu
alweermeer dan 21 jaar zelf vader. In de
begin jaren speelde ik vaak de ‘boze vader’. Toen Thijs en Nina
opgroeiende kinderen waren beleefde ze veel plezier als ik mijn vader
nadeed door (overdreven) boos te kijken of chagrijnig te doen.Door de liefde voor mijn vader en omdat wij de opvoeding samen met
2 vrouwen deelden was er genoeg ruimte voor dit spel. Ik denk dat er in
mijn vaders situatie vaak letterlijk en figuurlijk weinig ruimte was in
dat grote gezin en in dat kleine arbeidershuisje.
Mijn eigen vader is inmiddels opgelost in mij. Ik heb hem ‘naar
binnen’ gehaald. Als ik aan hem denk dan is het goed en geniet ik
van de herinneringen.
Wat ik soms nog weleens mis is dat concrete tochtje op de fiets, door weer
en wind naar hem!
Toen Martin en Hendrik als Trio Thijs besloten
om dit jaar met Vaderdag een ’thema’ optreden te gaan doen leek het me
een goed idee om daarvoor ook iets te maken. Het leek me spannend om een
liedtekst te schrijven, een monumentje voor de honderdste geboortedag van
‘Pa’, want zo noemde ik hem altijd. Het was heerlijk om in mijn hoofd
uren met mijn aandacht naar mijn vader te gaan en alles te noteren wat ik
me herinnerde. Om vervolgens te spelen met die opgeschreven woorden en die
zinnen. Uiteindelijk ontstond een tekst waarmee ik mezelf verraste en
waarin ik terug lees dat die ‘boze’ man eigenlijk zo liefdevol is
geweest in zijn werk. De vaders van onze generatie waren vaak afwezig,
altijd maar aan het werk. Maar ik zie opnieuw dat ‘Arbeid’ in wezen
zichtbaar gemaakte liefde is.
Beluister
hier het lied ‘De Handen van
Pa’
Gezongen
door Trio Thijs op 20 juni Vaderdag 2010
Muziek
Hendrik Grashuis
27
maart 2010
‘Homoseksualiteit;
een roeping!’
Ergens
in de jaren tachtig hoorde ik
Herman Cools
* (destijds theoloog in opleiding) als deelnemer op een mannenwerkworkshop
de zin uitspreken: ‘Homoseksualiteit is een roeping!’
Deze
zin is bij mij altijd blijven hangen. Het idee dat het gegeven
‘homoseksualiteit’ iets is wat je oproept om wakker te worden prikkelt
me enorm. Het is sowieso een tegenspraak op de negatieve boodschappen die
velen met mij hebben gehoord in hun leven. Niemand stond te juichen toen
we onze homoseksualiteit bekend maakten! Veel homomannen hebben dit ook
nog eens verinnerlijkt en voelen zich diepweg niet helemaal goed zoals ze
zijn.
Als
ik naar de grote lijnen van mijn leven kijk ben ik blij met mijn
homoseksualiteit. Het heeft er toe geleid dat ik steeds beter mijn eigen
weg heb leren gaan. Dat ik nieuwe wegen moest maken om datgene te doen wat
ik echt wilde doen. Zoals bijvoorbeeld in mijn kunstenaarschap, waar ik
probeer ‘(homo)seksuele energie’, het letterlijk en figuurlijk
onzichtbare, zichtbaar te maken en de kijker voorbij de vorm te laten
kijken.
Ook de kinderen in mijn leven zijn via een geheel eigen weg tot
stand gekomen. Zo werd het gegeven ‘homoseksualiteit’ ook hierbij een
kans om creatief te zijn met wat er is. Daarnaast is er ook nog altijd een
beetje de angst voor het anders zijn. Het volwassen bewustzijn weet dat
dit een oude kinderangst is. Dit te beseffen maakt dat ik het nu niet meer
serieus hoeft te nemen. Dit maakt de weg vrij om weer oorspronkelijk te
durven zijn.
Het mannenwerk is voor mij al 25 jaar een podium, een arena voor
zelfonderzoek en inspiratie. We werken meestal met homo-bi en hetero
mannen. In die volgorde. We sluiten niemand uit. Juist met heteromannen
erbij, komen ook de ‘oude’ verhalen over ‘niet goed zijn’ weer tot
leven. Bij de eerste GaySoul workshop in 2008 was er ook een heteroman als
deelnemer. Ik had hem speciaal uitgenodigd omdat hij vertelde dat hij vaak
in zijn leven een etiket opgeplakt kreeg van ‘vreemd’ en ‘anders’
te zijn. Deze man heeft zich als een vis in het water gevoeld tussen 31
gay mannen, omdat hij kon zijn wie hij was. Gewoon een oorspronkelijke
man!
Op de avond voorafgaand
aan de derde
‘Gaysoul’ workshop was
Herman Cools
bij mij thuis te gast en we spraken samen over homoseksualiteit. Over de
vreugde, de pijn, de schaamte, over wat het kost en wat het brengt en de
kansen om te groeien op spiritueel gebied! Hij noemt homoseksuelen ook wel
eens een ‘apart volk’. Een bijzondere kijk op een groep mensen die
deel uitmaakt
van de wereldbevolking
, waar een potentieel van ‘anders zijn’ ook een kans is voor groei! Homoseksualiteit
heeft altijd over de hele wereld en in alle culturen bestaan. Er zijn
altijd mannen geweest die naar mannen verlangden. Er zijn culturen
(geweest) waar vormen van homoseksualiteiteen gewaardeerde plaats en functie hadden, b.v. als intermediair
tussen
mannen en vrouwen
, tussen de hemel en de aarde, goden en mensen.
Voor mij was het samenzijn met Herman een mooie voorbereiding op
een weekend met gay mannen. Ik had al veel voorwerk gedaan rondom het
thema en was van plan dit meer dan ooit in het programma te stoppen. In
het mannenwerk zijn we meestal wat terughoudend met het inbrengen van
thema’s, omdat er altijd al zoveel is! Als je echt durft stil te staan
bij het samenzijn en onder ogen zien wat er in het hier en nu speelt dan
heb je je handen vol!
Het thema GaySoul was
er in de presentieen
diversiteit
van de aanwezige
mannen. Mannen met verschillende aanvliegroutes die landden in een kring
van ruimte en aandacht en liefde. Kortom, dalen, landen, en thuiskomen.
Luisteren met het hart en je intuïtie volgen en je vervolgens uitspreken
over je (homoseksuele) leven. Je diepste verlangens, je angsten, je
vreugde kenbaar maken. Aan elkaar en aan jezelf. Stilstaan bij hoe het is
om dat in het hier en nu te doen. Afstand nemen van het denken in je hoofd
en daarmee meer ruimte en contact maken voor je ziel en zaligheid.
Cirkels
zijn oeroude symbolen van verbinding. In veel culturen worden ze als
heilig beschouwd.
Een kring werkt soms ook als een arena, waarbij het kan voelen alsof je
voor de leeuwen wordt gegooid. Binnen deze cirkel is er moed voor nodig om
je werkelijk uit te spreken over wat er in je leeft, klein en dichtbij.
Rond te durven te kijken, en te voelen hoe dat is. Elkaar en daarmee je
zelf in de ogen te zien, te ontmoeten. Uiteindelijk levert dat altijd meer
innerlijke vrijheid op
Op de
laatste avond
van de workshopeen open podium. Een Cirkel van aandacht, ruimte en liefde, om de ziel
te onthullen via muziek, zang, dans, poëzie, verhalen. Uniek in de wereld
en zeker in de homogemeenschap! Wat een kracht en schoonheid en energie
zit er in dit ‘aparte’ volk! Goed om zo’n weekend bij elkaar te
komen. Om vervolgens de wereld in te gaan en te doen wat je te doen staat.
In de wetenschap dat je er niet alleen voor staat. En in het besef dat
geen stap die je zet en geen woord dat je spreekt de wereld onveranderd
laat!
De
dagen worden weer langzaam langer en lichter. Deze week voor het eerst
sneeuwklokjes gezien. Op een beschutte plek in het bos groeiden ze dwars
door de sneeuw heen. Wat een bemoedigende gedachte dat de cyclus van het
leven gewoon door gaat. Dat we daar allemaal deel van uit maken. Deel van
een groter geheel. Van het heelal.
Dit klinkt voor sommigen misschien wel te groot en te ‘verlicht’. Vaak
plaatsen we een begrip als ‘verlichting’ buiten onszelf.Dat is iets voor hele bijzondere, wijze en heldere mensen die veel
gemediteerd hebben. Ik denk dat iedereen verlicht is! We zijn alleen niet
altijd wakker genoeg om dat voortdurend te zien.
Deze week sprak ik met mijn 17 jarige dochter over wat nou
‘werkelijkheid’ is. Uiteindelijk brachten we de werkelijkheid terug
tot dat we allemaal moleculen zijn: de mensen en de dingen. Afhankelijk
van de bewegingen
nemen ze hun eigen vorm aan; een stoel, een poes, een plant, een mens etc.
Zij vond dat een ontmoedigende gedachte. ‘Wat stelt het dan allemaal nog
voor! Wat stel ‘ik’ dan nog voor?
Ik las in een interview met een astronoom: ‘Wij
zijn sterrenstof
! De atomen
in ons lichaam hebben hun oorsprong in het inwendige van andere sterren.
Joni Mitchell zong het in 1969 al in de song ‘Woodstock’- We are
stardust, we are golden. We zijn inderdaad een met het heelal; we bestaan
uit dezelfde bouwstenen!’
Tijdens
de laatste workshop die ik leidde voor
Stichting Mannenwerk
hoorde ik mezelf een keer zeggen: ‘Ik ben voor de duvel en z’n ouwe
moer niet bang!’.Wat voor
mij betekende dat ik me helemaal voor alles en iedereen kon openen, dat er
alle ruimte was, zoals een sterrenhemel bij een heldere nacht.
Ik heb heel lang in mijn leven niet echt naar de sterrenhemel
durven te kijken, bang om ‘mezelf’ daarin te verliezen. Het was me
veel te ruim daarboven! Dat volstrekte alleen zijn in de oneindigheid.
Hier beneden was het me trouwens vaak ook te benauwd, vooral in groepen!
Ook hierin kon ik mezelf kwijtraken.
Halverwege die workshop realiseerde ik me dat
ik ook nog in een chemokuur zit. Ik voelde wat het voor impact het op me
heeft. Regelmatig urenlang aangesloten te zijn op een infuus met gif. En
al maanden lang te voelen hoe de bouwstenen van mijn lichaam worden
afgebroken.
Ik heb nu elf
van de twaalf
behandelingen achter de rug. Mensen om me heen reageren enthousiast: Nu
nog maar een! Het is een prettig vooruitzicht, dat zeker. Maar eigenlijk
ben ik daar niet zo mee bezig. Elke dag is er een! Elke dag moet je er
weer iets van maken.
En wat kan een mens over een geestkracht beschikken! Ik heb het tijdens de
vierdaagse workshop aan den lijve ervaren: met twee en twintig mannen
in de leeftijd van zeven en dertig tot een en zeventig jaar. Samen
achttienhonderd en zes en tachtig jaar aan wijsheid en ervaring. Het
samenzijn als bron van inspiratie. De wereld in een notendop. Binnen een
structuur van ruimte, liefde en aandacht. Door in die ruimte te zijn met
alles wat er is voelde ik me aangesloten op het universum.Het
heelal!
Uiteindelijk gaat het om de ruimte en het vermogen om werkelijk contact te
maken met ‘wat er is’ en daarmee te ‘zijn’. We leven vaak in het
misverstand dat het allemaal nog moet gaan gebeuren, terwijl als je goed
kijkt en luistert gebeurt het waar je bij staat!
Over ‘zijn met wat er is’ bestaat vaak het misverstand dat het iets
passiefs zou zijn. Alsof je je er bij neer legt zoals het is. Ik zie het
‘zijn met wat er is’ als een energieke staat van wakker en ‘in
beweging zijn’, die je wat mij betreft ook ‘verlichting’ kan noemen.
De energie zit voor mij in de schijnbare tegenstelling: Het is goed zoals
het is! En: Alles kan beter!
Aan de ene
kant is alles zoals het is, inclusief honger in Afrika, de aardbeving in
Haïti, kanker en oorlogen!
Aan de andere
kant is er ook altijd een innerlijke drang (of noem het een universele
oproep) tot verbetering en verandering.
Het is nooit alleen of het een of het ander. Door beide kanten samen te
brengen maken we een nieuwe ruimte met meer vrijheid. Dit kan ons er toe
aanzetten om de wereld beter te maken. In feite doen we dit al door ons
hiervan bewust te worden: ‘Geen
stap die je zet laat de wereld onveranderd!’.
Ik denk dat we voor een groot deel onze eigen, en onze gezamenlijke
werkelijkheid creëren. En dat de waarheid in ‘ons midden’ ligt. Daar
waar ons hart zit. Onze liefde.
‘Vrij
naar de schrijver /spiritueel leraar Ram Dass’
1 november
2009
Ik
ben geborenin
de jaren vijftig als jongste van een arbeidersgezin met acht kinderen. Een
‘nakomertje’ in een gezin waar alle patronen van hoe er met elkaar
werd omgegaan al vast lagen. Het was een groot, heftig en chaotisch gezin
in een veel te klein huis. Ik vond nauwelijks aansluiting bij het leven
van mijn oudere broers en zussen. Een deel van mij hing voortdurend de
clown uit om aandacht te trekken. Een ander deel trok zich terug en creëerde
een eigen fantasiewereld.
Je
familie, het gezin waarin je bent opgegroeid, is de eerste groep mensen
waarbinnen je je gedrag ontwikkelt. Wat je als kind binnen je familie
leert over de omgang met mensen, is bepalend voor de rest van je leven.
En andersom is het ook waar wat actrice Shirley MacLaine ooit eens heeft
gezegd: dat al het werk wat je doet op het gebied van persoonlijke groei
en bewustzijn, het lastigst toe te passen is in het contact met je eigen
familie.
In onze vroege jeugd nemen we onbewust belangrijke besluiten waarop we ons
verdere leven baseren. Besluiten die vaak zijn terug te voeren op
vertrouwen (of gebrek daaraan) in de ander en in jezelf. Later als je
groot bent spelen in allerlei groepen (school, sport, vrienden, clubs,
werk, etc.), vaak dezelfde mechanismen als toen in het contact met je
familie.
En elke groep waarin je verkeert kan je weer bewust maken van die
mechanismen. Bij voorbeeld: je neiging om je terug te trekken, om af te
wachten, of om juist op te vallen, heel erg goed je best te doen,
behulpzaam te zijn, of juist strijd aan te gaan met anderen in de groep,
je aan anderen te ergeren, of onverschillig te worden, enzovoorts.Allemaal manieren om je als kind te handhaven in een groep, in je
familie. En als volwassene schiet je vaak nog automatisch in het zelfde
gedrag. Terwijl er in het hier en nu meestal niet echt iets
aan de hand
is waartegen je je zou moeten beschermen om te overleven. Als volwassene
ben je veel vrijer dan je vaak denkt. Zelfs in situaties waarin je
overgeleverd lijkt
aan de omstandigheden.
In mijn gewone doen zit ik meestal boordevol ideeën, zie overal
mogelijkheden, maak voortdurend plannen om iets nieuws te creëren. Die
tomeloze energie is nu voor een half jaar aangetast omdat ik me, om de
week, drie dagen lang laat aansluiten op zakken vol chemische
vloeistoffen. Ik geef me over aan een intensieve chemokuur om
achtergebleven kankercellen te vernietigen. Het gif komt binnen via een
klein kastje, onderhuids vlakbij mijn hart, en sijpelt hier mijn aderen
in. Na een zes uur durende toediening in het ziekenhuis, word ik
aangesloten op een heupflesje waarmee ik gewoon naar huis kan en de dingen
doen die ik gewend ben om te doen.
Ik heb maar besloten om het niet als een strijd te zien. Niet een gevecht
tegen iets in mezelf. Meer als een samenwerking van mijn lichaam en mijn
geest met de medicijnen. En niet onbelangrijk daarbij: hoop op een dosis
geluk!
Ik heb nu een aantal kuren in mijn lijf zitten. Een goede vriend vergeleek
me laatst met een wandelende fles bleekwater, die uiteindelijk zo bij de
chemokar kan! (het wordt er wel schoon van, dat wel!). De feitelijke
lichamelijke reacties zijn nogal wisselend; soms
voel ik meletterlijk en
figuurlijk kapot gemaakt van binnen. Dan is er vermoeidheid,
misselijkheid, smaakverlies. Soms kan ik mijn ene been niet voor het
andere zetten. Een aantal keren kon ik het stuur van mijn fiets niet
vasthouden vanwege zenuwtintelingen in mijn handen. Een keer was ik korte
tijd half blind van een koud windje op mijn ogen. Regelmatig heb ik last
van krampen. Maar meestal is het redelijk goed te doen. Wat het soms zwaar
maakt is het lijden dat ik vrees: mijn gedachten aan het vooruitzicht dat
mijn energie met elke kuur nog meer aangetast zal worden.
Ik ben in
de loop der jaren gehecht geraakt aan hard en veel werken, aan mijn
tomeloze energie, aan het voortdurend iets moeten creëren. Alsof iets in
mij nog steeds bezig is de chaos en de heftigheid van mijn gezin van
herkomst te bezweren. Door
alsmaar bezig te zijn houd ik de illusie in stand dat ik mijn leven onder
controle heb. Alsof dat nog steeds nodig zou zijn! En alsof dat sowieso
mogelijk zou zijn!
In
deze periode van mijn leven kom ik, ook letterlijk, mijn familie
weer tegen. Ze leven intens met me mee. Ondanks dat ik daar met volle
teugen van geniet, brengt het me ook weer in contact met de heftige
verhalen van vroeger: over verloren raken in de chaos, over niet gezien en
niet gehoord worden. Voor ik
het weet ben ik weer ‘thuis’ in die kleine ruimte van toen.
Ook hier sijpelt er op een bepaalde manier ‘gif’ mee waardoor ik
innerlijk soms weer ‘kleingeestig’ reageer. Ik zie bij voorbeeld in
mijzelf het eigenaardige genoegen om me te willen vastbijten in gedoe
rondom mijn oudste zus, waarbij we allebei ons gelijk willen halen in een
bepaalde kwestie. Terwijl ik eigenlijk alleen maar stil hoef te staan bij
hoe pijnlijk dat alleen gelaten gevoel voor mij als kind geweest is. Als
ik dat doe verdwijnt onmiddellijk mijn boosheid en gekwetst zijn. Dat was
toen. Ik voel mezelf weer mild worden en kan zien dat ook mijn oudste
zuster waarschijnlijk in een zelfde soort oud verhaal gevangen zit. En ik
weet maar al te goed hoe lastig het vaak is om onderscheid te maken tussen
toen en nu.
Ondanks al mijn ervaring kom ik iedere keer weer de zelfde dingen in een
andere vorm tegen. ‘Houdt het dan nooit op?!‘ Blijkbaar niet! Zolang
we leven komen we onszelf tegen. Door zo nu en dan stil te staan en naar
deze dingen te kijken, en daarbij durven te voelen wat we voelen,
verdiepen we ons leven, vergroten we onze ruimte en onze vrijheid. Dat is
volgens mij van levensbelang! Voor onszelf, en daarmee voor de hele
mensenfamilie waar we deel van uitmaken.
Mijn
belangrijkste klusje is nu: aanvaarden dat ik voorlopig nog maar de helft
kan doen van wat ik gewend ben te doen. ‘s Middags ga ik vaak even op de
bank liggen. Een dvdtje kijken. En meestal val ik dan in een diepe, lange
slaap.Relax, nothing is under control!
Johan van
Breukelen
'Alles
wat zich op je weg aandient is
een uitnodiging om te functioneren!'
(vrij
naar Hella Haasse)
11 augustus 2009
Deze
week liep ik in de hete zon langs de vloedlijn
van de Noordzee.
Mijn lichaam, zichtbaar getekend door een medische ingreep, gestreeld door
een lichte bries. Innerlijk dansend met de elementen, tussen vorm en
ruimte.
Ik
doe een poging om onder woorden te brengen wat er met me gebeurt, wat ik
meemaak; de pijn, de angst, maar ook het overstijgende, en de schoonheid
van het bestaan. Net zoals ik dat heb met mijn beeldende werk, voel ik een
innerlijke noodzaak om, nu met woorden, iets nieuws te creëren en dit met
anderen te delen.
Eckhart
Tolle schrijft in ‘Een Nieuwe Aarde’: ‘In onze hedendaagse
cultuur zien niet veel mensen ziekte, ouderdom, invaliditeit, een verlies,
een persoonlijke tragedie in een of andere vorm, als een mogelijkheid voor
spiritueel ontwaken. Als dit soort dingen gebeuren met hen of iemand die
ze kennen, denken ze dat er iets vreselijk mis is, iets wat niet zou mogen
gebeuren’.
Het
is een natuurlijke beweging die geldt voor alles wat leeft: Wat wordt
geboren, wat groeit en bloeit, zal ook weer verwelken en sterven! Ik heb
de afgelopen tijd gemerkt dat ik met deze ‘beweging’ goed kan zijn.
‘Zijn met wat er is!’ is wel een richtlijn van grote waarde in mijn
leven. Maar dat hoeft nog geen passiviteit of gelatenheid in te houden.
Kennelijk is het de mens ook eigen om zich soms tegen natuurlijke bewegingen
te willen verzetten en daar waar mogelijk in te grijpen!
Voor het operatief verwijderen
van de kwaadaardige
tumor in mijn lijf liet ik me een paar weken geleden ‘opnemen’ in een
ziekenhuis. Daarmee ging ik een geheel nieuw en onbekend gebied betreden.
Wat gaan ze precies doen, en hoe? En belangrijker nog, hoe ga ik het zelf
doen? Angst voor het onbekende, en voor het overgeleverd zijn. Maar ook
een zekere opwinding en nieuwsgierigheid!
Overgave kent verschillende niveaus. Ik heb wel eens iemand horen zeggen
dat overgave de meest onafhankelijke daad is die een mens kan stellen. Na
een aantal voorlichtende gesprekken besloot ik me over te geven aan het
vakmanschap en de instrumenten
van de chirurg
, de anesthesist, de verpleegkundigen. Op een ander niveau besloot ik er
helemaal bij te blijven!
Tot het moment
van de narcose
was ik levendig en helder met de mensen om me heen. Verrassende
ontmoetingen met bijzondere
mannen en vrouwen
die bijzonder specialistisch werk doen. De hele weg, tot op de
operatietafel, beleefde ik het contact als bemoedigend, inspirerend, soms
emotioneel, en gezien de omstandigheden best plezierig! Bij het inbrengen
van een buisje in mijn rug vroeg de anesthesist of ik voorover wilde
buigen. De mevrouw die voor me stond hield me vast bij de schouders. Ik
vroeg of ik mijn hoofd op haar arm mocht leggen.Ik voelde me een bang jongetje van zeven jaar in de armen
van zijn
moeder en ik liet mijn tranen stromen. Ze hield me vast en zei: ‘Het is
helemaal goed jochie!’ . Terwijl we nog even moesten wachten in het
voorportaal
van de operatiekamer
, hadden we een mooi gesprek over bezieling in het werk. Haar passie was
de afgelopen vijfendertig jaar geweest om mensen er zo goed mogelijk
‘door heen te helpen’. Toen werd ik voor twee en een half uur
‘weg’ gemaakt.
Tijdens het bijkomen leek het alsof ik door engelen was gedragen en
aangeraakt. Ik had een visioen waarin ik weer twintig jaar terug in de
tijd was, boven op een rode berg, midden in de woestijn van Australië. Op
driehonderd meter hoogte had ik daar toen een ‘piek’ ervaring: De
wereld om me heen, was ook de wereld in mij! Er werd tegen me gezegd dat
de operatie volgens het beste scenario was gegaan. Toen ik de deken
optilde zag ik met eigen ogen dat de verminkingen waar ik zo voor had
gevreesd niet hadden plaatsgevonden! Wat een zegen en liefde, al die
mensen om me heen die ik had gevraagd aan me te denken. Al die kaarsjes
die voor me waren opgestoken. Niet alleen maar symbolisch of bij wijze van
spreken, maar als daadwerkelijke, dragende energie!
Aan de andere
kant
van de klapdeuren
stond mijn man me weer op te wachten.
Ik las pas een uitspraak van Martin Buber: ‘Het Kwade is als de mens
vergeet dat hij eigenlijk een koningszoon is!’ Ik moet er aan denken
vanwege dit verhaal over alle zegen en besef van liefde die mijn kanker me
tot nu toe heeft opgeleverd. En natuurlijk komt het ook bij mij op: Kan
dit wel? Mag dit wel? Ga ik nu ergens overheen? Moet ik deze persoonlijke
dingen niet alleen in stilte beleven? Mag ik er wel openlijk over spreken?
Is dat niet ‘de goden verzoeken?’ Op de workshops van het mannenwerk
beginnen we vaak met de vraag: Wat is je diepste verlangen voor deze
dagen? En als mannen dan woorden geven aan hun diepste verlangen, vraag ik
ze wel eens om ter plekke even te onderzoeken of er van dat verlangen
misschien al iets levend en vervuld aanwezig is in het hier en nu. En
meestal is dat het geval. We zijn allemaal bijzondere en gezegende mensen!
En vaak zijn we dat ergens onderweg vergeten.
De
dagen die volgden waren vol van aandacht en medische zorg, waarbij alles
erop gericht was om zo snel mogelijk weer uit bed te komen, los van alle
slangetjes en afhankelijkheid.Gebaseerd op ervaringsverhalen van familieleden was mijn
verwachting geweest dat ik me na de operatie echt ziek zou gaan voelen,
misselijk zou zijn en pijn zou hebben. En dat ik psychisch nog wel een
terugslag
van de narcose
zou krijgen! Niets van dit alles: ik bleek op een bepaald moment zelfs een
soort bezienswaardigheid te zijn: verpleegkundigen van andere afdelingen
kwamen soms even om het hoekje kijken, naar die vreemde kale man met
zoveel praatjes, die lichamelijk en geestelijk zo onaangetast leek, na
zo’n zware operatie.
Ik heb ook mijn angstige momenten gehad. Tot vijf dagen na de ingreep
waren er nog steeds risico’
s. De derde
nacht was er alarm omdat er heftige bloedingen ontstonden. Er werd al
rekening gehouden met een spoedoperatie. De nachtarts klopte me tot zes
maal toe geruststellend op de schouders en wenste me ‘heel veel
sterkte!’ Bij elk klopje raakte ik meer in paniek. Drie dagen daarna zat
ik met een vriendin te lunchen op een terras
aan de Kromme
Rijn op het landgoed Rhijnauwen.
Nu ben ik alweer een tijdje in Bergen, in het huis van vrienden. In het
begin voetje voor voetje in de tuin, en daarna stap voor stap verder de
polder in, op weg naar herstel. Ik voel mijn energie dagelijks toenemen.
Alsof ik weer aan een infuus aangesloten ben: nu druppelen er zomerse
Hollandse landschappen naar binnen. Ik voel even een verlangen om ze te
schilderen, maar eigenlijk hoeft het ook niet. Leunend op een hek zie ik
het weelderige werk van oude meesters overgaan in het abstracte lijnenspel
van Mondriaan, en ik
ben er
onderdeel van. Ik ervaar de essentie! Ik moet niks, ik hoef alleen maar te
zijn!
De tumor, zo groot als een kleine appel, is verwijderd uit mijn lichaam.
Om de achtergebleven kankercellen te bestrijden start er binnenkort een
vervolgbehandeling. Daarvoor is ‘gif’ nodig. Ik kan me nu al weer
zorgen maken over hoe dat zal gaan. En dat doe ik ook af en toe. Maar als
ik kijk naar hoe het in het moment werkelijk is, ervaar ik vooral de
volledigheid van het leven!
‘Alles wat zich op je levensweg aandient, is een uitnodiging om te
functioneren!’ Deze uitnodiging geldt voor ieder mens. Voor mij
werkt het als een herinnering om mijn geest open en levendig te houden.
11 Augustus 2009
Johan van Breukelen
Ogen zijn blind, kijk met je hart,
het belangrijkste is onzichtbaar!
(uit: De Kleine Prins)
15 juli 2009
Bovenstaand citaat had in de afgelopen weken een
bijzondere betekenis voor mij. Ik was bezig me voor te bereiden op het
leiden van een workshop voor Stichting Mannenwerk, met als thema ‘Mannen
& Bezieling’, over persoonlijk leiderschap in het hier & nu.
Tegelijkertijd werkte ik aan de presentatie van mijn nieuwste fotowerk,
voor een komende groepsexpositie. De titel van mijn nieuwe collectie:
‘Windows'. Vensters op een wereld. Momentopnames van eeuwigheid’.
Toen kreeg ik het bericht dat ik een tumor in mijn lichaam had.
Leven met het besef van eindigheid is mij niet
onbekend. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig ben ik als coach en
begeleider intensief betrokken geweest bij groepen rondom hiv & aids.De groepen bestonden uit drugsverslaafden, prostituees, homo’s,
hemofiliepatiënten, ouders, buddy’s, etc. In die tijd had je met
de diagnose hiv
/aids onherroepelijk nog maar kort te leven. Ik zag om me heen dat veel
mensen in die korte tijd, met de dood voor ogen,intensiever
en bewuster gingen leven. De urgentie maakte het blijkbaar mogelijk om het
alledaagse gedoe te overstijgen en contact te maken met waar het echt over
ging. En tegelijkertijd ontstonden er overal netwerken van concreet
gemaakte liefde:
van mensen
die voor elkaar gingen zorgen en elkaar wilden dragen.
Het was voor mij, als ‘gezonde’ man, een eer om
bij deze groepen te mogen zijn. Hier heb ik echt geleerd wat het betekent
om ‘te zijn met wat er is’ en ‘te doen wat je te doen
staat’! Hier heb ik gezien en ervaren wat er voor potentie in mensen zit
als het er op aankomt. Hier heb ik opnieuw besloten dat ik niet eerst de
dood aangezegd hoef te krijgen om wakker te worden, om met meer bewustzijn
te leven.Ik heb er zelfs mijn werk
van gemaakt.
Mede door dit jarenlange werk rondom 'bewust zijn'
lukt het me dagelijks steeds beter om me te herinneren aan waar het voor
mij over gaat in het leven; dat ik ‘contact maak met het nu' en dat ik
probeer te ‘zijn met wat er is’. Dit
is van grote waarde. Hiermee ervaar ik de diepte en de kwaliteit van mijn
leven. Van hét Leven! En ik zie voortdurend mogelijkheden om het door te
geven aan anderen!
Nu ik zelf te maken heb met kanker in mijn lijfkomt
het er dus op aan! Hoe ga ik hier mee om, hoe ga ik dit doen? Na een
tweede onderzoek bleek de tumor ook nog eens agressief en kwaadaardig! Dit
werd me op een vrijdag verteld en op de maandag erna zou ik i.v.m
mogelijke uitzaaiingen een ‘ct- scan’ krijgen.
Mijn eerste reactie was: 'Als ik mijn creativiteit
maar niet kwijt raak!' En vervolgens: 'O.k., dit is dan het einde van mijn
(gezonde) leven'! Vijftig procent kans op uitzaaiingen! In dat geval
bedacht ik meteen al dat ik geen eindeloze medische behandeling zou
willen, en dat ik het allemaal zo kon loslaten als het nodig zou zijn. Ik
heb een heerlijk leven gehad en het is goed geweest! Ik was verbaasd over
hoe snel ik daar vrede mee kon hebben
!
De dagen
hierna waren ongekend! Een kring
van mensen
om me heen die er voor me waren; mijn man, kinderen, vrienden, familie.
Mensen die voor me wilden zorgen en me wilden dragen! Bij wie ik kon komen
sterven, of herstellen!
Ik zag mezelf door een poort gaan, naar een grotere
ruimte, waar het leven nog weer intenser was. De tijd vertraagde en het
contact verdiepte zich. Al het dagelijkse (en o zo menselijke!)
‘gedoe’ verdampte en deed er niet meer toe. Wat overbleef was
zorgvuldige aandacht, ruimte en liefde. Een staat
van zijn
die ik goed ken in mijn kunstenaarschap en bij het leiden van groepen,
waar ik vaak ervaar dat het ‘hier en nu’ ook de eeuwigheid is!
Deze dagen waren een ultieme oefening in ‘zijn met
wat er is’. Dat betekende ook dat ik contact maakte met de pijn en het
verdriet van afscheid nemen en moeten loslaten. En soms, als ik dacht aan
wat er komen ging, greep het me naar de keel. Dan haalde ik me de meest
vreselijke scenario’s in mijn hoofd. Als ik dan weer besefte wat er op
het moment werkelijk
aan de hand
was, werd het gewoon weer licht en was het helemaal in orde. Vreugde en
verdriet wisselden elkaar (snel) af. En zo heerlijk, ze waren er soms
tegelijkertijd!
Op de dinsdag, na de derde, en veel positievere
uitslag zag ik mezelf bij momenten weer langzaam terug glijden naar de
’kleinere ruimte’. Ik zag hoe aantrekkelijke het was om de kleine
dagelijkse ergernissen weer aan te willen grijpen. O wonderlijke
menselijke geest; vanaf het moment dat het allemaal weer wat minder urgent
leek, dat ik weer mogelijkheden en extra tijd kreeg om door te leven, (en
daarover zelfs een lichte teleurstelling bij mezelf opmerkte), zag ik hoe
snel ik de weg terug ging naar mijn oude patronen, en hoe snel al het
‘gedoe’ er ook meteen weer was!
Toch is het ook anders. Het besef
van de eindigheid
is altijd nabij. Misschien heb ik nog dertig jaar te gaan, of misschien
maar dertig dagen…. Ondanks alles wat ik al dacht te weten rondom
‘bewustzijn’ en‘kwaliteit
van leven’,heb ik in deze
wekentoegang gekregen tot een nog
onbekende en diepere laag in mezelf. Dit ervaar ik als een groot geschenk.
Wat er nu ook komen gaat, (operatie, verder
onderzoek, nieuwe uitslagen, eventuele verdere behandelingen, chemo,
volledig herstel, of alsnog sterven!) er is een weg voor mij te gaan waar
ik nog niet eerder ben geweest. Ik realiseer me dat velen die moeten gaan
en dat velen me al zijn voorgegaan. Mijn persoonlijke ‘kankerverhaal’
is in die zin niet zo uniek. Ik voel me nieuwsgierig naar wat er komen
gaat en soms ben ik bang, meestal als ik teveel op de zaken vooruit loop.
Waar ik nu kracht uit haal is: dat alles waar ik de afgelopen jaren mee
gewerkt heb, nu voor míj werkt!
Op de workshops van het mannenwerk citeer ik vaak
de theoloog
Wim
Overdiep als hij zegt:
‘Geen
stap die je zet blijft zonder gevolgen.
Elke
weg wordt stap voor stap begaan.
Geen
woord dat je spreekt laat de wereld onveranderd.
Aarzel
niet om te spreken!’
Dit citaat geeft voor mij aan dat onze individuele
levens niet los van elkaar staan, en dat ook de kleinste dingen die we
doen en zeggen er toe doen voor het grote geheel! Vaak kunnen we niet
verder kijken dan naar wat we denken te zien, en blijven we hangen
aan de vormen.
Maar: ‘Ogen zijn blind. Kijk met
je hart. Het belangrijkste is onzichtbaar!’
Ziekenverpleging
psychiatriePsychiatrisch
ziekenhuis Willem Arntz Stichting
1976
- 1977
Theatertechnicus
theatergroepDubbeldwars
1979
- 1980
Theatertechnicus
theatergroepRATS
1980
- 1984
Theatervormgever
(licht, geluid, decor, affiches) theatergroep
RATSTheatertechniek
diverse
theaterprodukties in theater RASABegeleiding
en vormgeving diverse
afstudeerprodukties Hogeschool voor de Kunsten