|
|
|
|
|
|
Achtergrondverhaal(click here for the English version)
'Mijn
kunstenaarschap is niet pas begonnen vanaf het moment dat ik mijn
eigen werk ging publiceren, tentoonstellen en verkopen. Het was er al op
vele momenten eerder in mijn leven. Ver voordat het er ‘officieel’
was. Wat mij betreft zit ‘kunstenaarschap’ voornamelijk in een manier
van ‘anders’ kunnen kijken naar de dingen, en ze daardoor ‘anders’
en intenser te ervaren. En natuurlijk in wat je daar mee doet, hoe je iets
van die intense ervaringen uitdrukt en vormgeeft. In een kort overzicht
van mijn persoonlijke ontwikkeling wil ik een paar gegevens en momenten in
mijn leven beschrijven die van invloed zijn geweest op de richting die ik
gekozen heb. Ik
ben geboren in 1952 als jongste van een arbeidersgezin met acht
kinderen. Een ‘nakomertje ‘ in een gezin waar alle patronen van hoe er
met elkaar werd omgegaan al vast lagen. Het was een groot, heftig en
chaotisch gezin in een veel te klein huis. Ik vond nauwelijks aansluiting
bij het leven van mijn oudere broers en zussen. Een deel van mij hing de
clown uit om aandacht te trekken. Een ander deel trok zich terug en creëerde
een eigen fantasiewereld. Als
jongetje van vier zag ik vanuit mijn bedje de meest wonderlijke
schaduwen en lichten over mijn slaapkamermuur voorbijtrekken. Een
toverachtige wereld van licht en donker die me meevoerde, waarin ik
allerlei avonturen beleefde, maar waarin ik me tegelijkertijd ook thuis en
veilig voelde. Een
buurmeisje was onderwijzeres. Zij tekende prachtige kabouters en
prinsessen in de poëziealbums van mijn zussen. Ik kon maar niet begrijpen
dat iemand die ik kende en die zo dichtbij ons woonde, dat zó mooi kon
doen. Van haar kreeg ik op mijn vijfde verjaardag mijn eerste kleurdoos van
‘Caran D'ache.’ Ik tekende voornamelijk vormen en vlakjes die niet
iets speciaals voorstelden en kleurde die in. Begin
jaren zestig kwam er een TV in huis. Er waren regelmatig Duitse shows
te zien met humor, dans en zang. Ik was gefascineerd door het licht en de
bewegingen van de camera’s. Ik was een jaar of negen en ik kon aan de
schaduwen zien hoeveel lampen er op een artiest gericht stonden. De
‘Kessler Tweeling’ waren destijds populaire en verblindend mooie
zangeressen, maar ik had voornamelijk oog voor hun zes schaduwen! Toen
ik twaalf was schreef ik op school een toneelstuk met mijzelf als
‘Zwarte Harry’ in de hoofdrol. Op het eigenhandig geschilderde affiche
had ik mezelf als een gemaskerde schurk in een zwarte maillot en met een
zwarte hoed afgebeeld. Vanwege ‘overweldigend succes’ mochten we het
stuk in verschillende klassen spelen. Als
kind had ik vroeg begrepen dat ik ‘anders’ was.
Alle dingen die voor iedereen om me heen zo vanzelfsprekend leken
waren dat niet voor mij. Ik wist zeker dat ik niet wilde trouwen, geen
kinderen krijgen, niet in militaire dienst, niet twintig jaar werken bij
dezelfde ‘baas’, zo wie zo niet bij een baas!
Ik had geen voorbeelden om me heen van hoe het anders kon. Op de
lagere school wist ik al dat ik op jongens viel.
De enige homo in het dorp was de voorzitter van de Connie Francis
Fanclub, over wie gezegd werd dat hij een ‘verwijfd type’ was. In het
naburige dorp was ooit ook nog een homo geweest, maar die had zich,
volgens een zus, om die reden opgehangen. Beiden nou niet bepaald een
rolmodel voor mij. Jongens
uit mijn milieu gingen na de lagere school automatisch naar de lagere
technische school om timmerman, automonteur, metaalbewerker of schilder te
worden. Het woord ‘schilder’ klonk nog het minst hard. In mijn
schilderstijd heb ik genoten van het mooi en heel maken van dingen, van de
geuren en kleuren van de materialen, van het plezier om met mijn oude,
gebonden, ovalen buskwast van varkenshaar de verf strak te laten lopen
over de schuine kant in een raamsponning zonder dat de verf ging zakken.
Waar ik minder van genoot was de mannenwereld waarbinnen het werk zich
afspeelde, de dagelijkse gesprekken die niet veel verder gingen dan
voetbal, auto’s, uitgaan, zuipen en lekkere wijven! Niet persé de
onderwerpen waar mijn belangstelling toen naar uit ging. Ondertussen
was ik thuis op mijn kamertje altijd bezig van alles te maken: bouwsels
van hout, glas en doeken. Overal lampen die ik vanuit mijn bed kon
bedienen, schetsboeken vol getekende popsterren, behang naar eigen ontwerp,
enzovoorts. Ook maakte in ik die tijd plakboeken die ik op een geheime
plaats bewaarde, met foto’s en artikelen over ‘de vrije liefde’,
hippies en vaag seksueel getinte onderwerpen die ik uit de Muziekexpres,
de Panorama en andere tijdschriften knipte. Ergens
in een artikel las ik iets over een homosoos voor studentenjongeren op
de zondagavond op de Keizersgracht in Amsterdam. Ik was zestien toen ik de
stoute ‘punt’-schoenen aantrok en daarheen ging. Ik heb twee avonden
buiten op de gracht van een afstand staan kijken voor ik naar binnen
durfde. Het waren daar ‘homo’s’
die ook nog eens ‘student’ waren, dus ver boven mijn stand. Pas bij de
derde keer durfde ik naar binnen te gaan. Ik werd verwelkomd door Pater
van Kilsdonk die me meteen op mijn gemak stelde en me de daarop volgende
keren altijd even aansprak om te vragen hoe het met me ging.
Bij mijn derde bezoek werd ik gevraagd door een fotograaf om samen
met een zwarte jongen (gekleed) te poseren in zijn studio in Amsterdam.
Toen ik dit in mijn enthousiasme de volgende dag aan mijn
schildercollega’s vertelde zeiden ze: ‘dat zullen dan wel homo’s
wezen!’ Ik wist dat ik deze verschillende werelden nooit bij elkaar zou
kunnen brengen, en dat ik daar uiteindelijk weg moest. Ik
heb een tijdje saai administratief werk gedaan op een kantoor en was
voornamelijk blij dat mijn schildersoveral uitmocht. Tussen 1972 en 1976
had ik een geweldige tijd als leerling verpleger in een psychiatrisch
ziekenhuis. Ik voelde me thuis tussen de ‘patiënten’: iedereen was
‘anders’ en niemand was helemaal normaal.
We maakten goed gebruik van de vrijheid die we in die tijd hadden
om leuke en bijzondere dingen te doen met de gehospitaliseerde patiënten.
Ik herinner me een bejaarde man die al jaren lang alleen maar in een stoel
voor zich uit had zitten staren. Ik heb een doos kleurpotloden voor hem
gekocht en een tekenblok. Tot ieders verbazing heeft hij vervolgens twee
jaar lang iedere dag huizen getekend. Op de dag dat hij stierf vonden we
op zijn laatste blad een tekening van een bootje op het water. In
1975 heb ik de man leren kennen met wie ik in 2005 ook getrouwd ben.
We hebben drie kinderen waarvan we er twee samen met twee vrouwen hebben
opgevoed. Van al mijn kunstwerken zijn mijn relatie en mijn vaderschap wel
de meest belangrijke. Het vormgeven en steeds opnieuw creëren van beide
is een altijd doorgaand proces. Eind
jaren zeventig ging ik letterlijk spelen met licht en donker en vormen
bij verschillende jeugdtheatergroepen. We maakten producties die zowel in
theaters als op scholen en buurthuizen werden gespeeld. Het was iedere
keer een feest en een uitdaging om de meest onmogelijke en naargeestige
locaties om te toveren in ‘een zwarte doos’. Zodat
het decor, de spelers en het verhaal uitgelicht konden worden en de magie
van theater kon gaan werken. Kinderen waren vaak helemaal verrast over de
wonderlijke werelden die binnen hun school gecreëerd werden. Halverwege
de tachtiger jaren nam ik ontslag bij het theatergezelschap waarbij ik
vijf jaar lang de vaste vormgever was geweest. Ik had een geweldige baan
en alle vrijheid, maar ook het idee dat er meer mogelijk was! En het
verlangen groeide om iets te maken wat helemaal uit mijzelf kwam en niet
alleen in opdracht van anderen. De leegte en de onzekerheid die ik had
geschapen na het opgeven van mijn baan bleken een vruchtbare bodem te zijn
voor het experimenteren met en het vinden van een eigen vorm en stijl. In diezelfde periode wilde ik ook meer zicht krijgen op mijn gevoelsleven en mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik ging naar een weekend over ‘mannen en persoonlijk leiderschap’. Er ging een nieuwe wereld voor mij open. Ik leerde daar mijn licht ook te laten schijnen over mijn ínnerlijke schaduwen. Ik begon te begrijpen hoe en waar ik mezelf in de weg zat: mijn onderwaardering, mijn afkomst, het niet stil willen staan bij wat er in mijn leven pijn deed. Ik kwam een paar keer terug en binnen een half jaar leidde ik daar zelf groepen en paste in wezen dezelfde principes toe die ik ook in mijn kunstenaarschap hanteer: werken en spelen met de gegevens die je hebt. Stilstaan. Kijken naar wat er is. Zijn met wat er is. Je laten raken en inspireren door de bewegingen van licht en donker, kleuren en vormen. Je diepste verlangen voelen. Je ‘bliss’ volgen! '
|
|
|||||||||||||||||||||||||
|
ingeschreven bij de kamer van koophandel Utrecht als Atelier van Breukelen onder nr. 30257710 © 2000 - 2012 Johan van Breukelen The Netherlands
|