|
|
Op deze pagina:
(scrol hiervoor naar beneden)
sinds 26 -10 -07
|
Biografie(click here for the English version)
Johan van Breukelen (1952), beeldend kunstenaar, vormgever, en begeleider van groepen rondom bewustzijn en persoonlijke groei. Hij is sinds 1985 verbonden aan Stichting Mannenwerk. Ruim 25 jaar training en ervaring in het leiden van groepen rondom bewustzijn in het hier en nu, contact maken en het creatief vormgeven van je eigen leven. Daarnaast
werkt hij sinds 1991 als trainingsacteur
mee aan trainingen rondom het verwerken van traumatische ervaringen en als
coach bij verschillende projecten waarbij
bedrijven, organisaties en individuen ondersteund worden bij
verandering. Hij is oorspronkelijk zijn artistieke werk begonnen als licht en decorontwerper bij verschillende theatergroepen. Sinds 1989 is hij zich serieus bezig gaan houden met 2dimensionaal werk waarin hij 'tekent met licht'. Hij maakt fotowerken en foto’s. De fotowerken zijn een combinatie van fotografie en gemengde schilder en teken technieken. De foto's zijn puur fotografie zonder (computer) manipulatie. De foto’s en fotowerken kenmerken zich door het spel met licht, donker en spiegeling. In zijn werk probeert hij iets van het mysterie zichtbaar te maken van mannelijke seksuele energie, kracht en kwetsbaarheid. Van Breukelen is gefascineerd door de schaduwzijde van (homo) seksualiteit met al zijn vervormende aspecten. Hij laat tegelijkertijd ook de onschuld en de schoonheid van het verlangen zien, het zoeken naar contact en verbinding. Het fotowerk van Van Breukelen is sinds 1991 gezichtsbepalend voor Stichting Mannenwerk, die is gericht op persoonlijke ontwikkeling en emancipatie
van mannen.
Het fotowerk van Johan van Breukelen was eerder te zien o.a. in de Melkweg Galerie, Galerie 1718 en Galerie Faubourg in Amsterdam, Galerie Westzijde, Broers, ’t Hoogt, Brandweerkazerne, Galerie Moira in Utrecht, Galerie de Lelie, R*ART galery in Antwerpen en Galerie Janssen in Berlijn klik hier voor meer info over exposities
Achtergrond verhaal:'Mijn
kunstenaarschap is niet pas begonnen vanaf het moment dat ik mijn
eigen werk ging publiceren, tentoonstellen en verkopen. Het was er al op
vele momenten eerder in mijn leven. Ver voordat het er ‘officieel’
was. Wat mij betreft zit ‘kunstenaarschap’ voornamelijk in een manier
van ‘anders’ kunnen kijken naar de dingen, en ze daardoor ‘anders’
en intenser te ervaren. En natuurlijk in wat je daar mee doet, hoe je iets
van die intense ervaringen uitdrukt en vormgeeft. In een kort overzicht
van mijn persoonlijke ontwikkeling wil ik een paar gegevens en momenten in
mijn leven beschrijven die van invloed zijn geweest op de richting die ik
gekozen heb. Ik
ben geboren in 1952 als jongste van een arbeidersgezin met acht
kinderen. Een ‘nakomertje ‘ in een gezin waar alle patronen van hoe er
met elkaar werd omgegaan al vast lagen. Het was een groot, heftig en
chaotisch gezin in een veel te klein huis. Ik vond nauwelijks aansluiting
bij het leven van mijn oudere broers en zussen. Een deel van mij hing de
clown uit om aandacht te trekken. Een ander deel trok zich terug en creëerde
een eigen fantasiewereld. Als
jongetje van vier zag ik vanuit mijn bedje de meest wonderlijke
schaduwen en lichten over mijn slaapkamermuur voorbijtrekken. Een
toverachtige wereld van licht en donker die me meevoerde, waarin ik
allerlei avonturen beleefde, maar waarin ik me tegelijkertijd ook thuis en
veilig voelde. Een
buurmeisje was onderwijzeres. Zij tekende prachtige kabouters en
prinsessen in de poëziealbums van mijn zussen. Ik kon maar niet begrijpen
dat iemand die ik kende en die zo dichtbij ons woonde, dat zó mooi kon
doen. Van haar kreeg ik op mijn vijfde verjaardag mijn eerste kleurdoos van
‘Caran D'ache.’ Ik tekende voornamelijk vormen en vlakjes die niet
iets speciaals voorstelden en kleurde die in. Begin
jaren zestig kwam er een TV in huis. Er waren regelmatig Duitse shows
te zien met humor, dans en zang. Ik was gefascineerd door het licht en de
bewegingen van de camera’s. Ik was een jaar of negen en ik kon aan de
schaduwen zien hoeveel lampen er op een artiest gericht stonden. De
‘Kessler Tweeling’ waren destijds populaire en verblindend mooie
zangeressen, maar ik had voornamelijk oog voor hun zes schaduwen! Toen
ik twaalf was schreef ik op school een toneelstuk met mijzelf als
‘Zwarte Harry’ in de hoofdrol. Op het eigenhandig geschilderde affiche
had ik mezelf als een gemaskerde schurk in een zwarte maillot en met een
zwarte hoed afgebeeld. Vanwege ‘overweldigend succes’ mochten we het
stuk in verschillende klassen spelen. Als
kind had ik vroeg begrepen dat ik ‘anders’ was.
Alle dingen die voor iedereen om me heen zo vanzelfsprekend leken
waren dat niet voor mij. Ik wist zeker dat ik niet wilde trouwen, geen
kinderen krijgen, niet in militaire dienst, niet twintig jaar werken bij
dezelfde ‘baas’, zo wie zo niet bij een baas!
Ik had geen voorbeelden om me heen van hoe het anders kon. Op de
lagere school wist ik al dat ik op jongens viel.
De enige homo in het dorp was de voorzitter van de Connie Francis
Fanclub, over wie gezegd werd dat hij een ‘verwijfd type’ was. In het
naburige dorp was ooit ook nog een homo geweest, maar die had zich,
volgens een zus, om die reden opgehangen. Beiden nou niet bepaald een
rolmodel voor mij. Jongens
uit mijn milieu gingen na de lagere school automatisch naar de lagere
technische school om timmerman, automonteur, metaalbewerker of schilder te
worden. Het woord ‘schilder’ klonk nog het minst hard. In mijn
schilderstijd heb ik genoten van het mooi en heel maken van dingen, van de
geuren en kleuren van de materialen, van het plezier om met mijn oude,
gebonden, ovalen buskwast van varkenshaar de verf strak te laten lopen
over de schuine kant in een raamsponning zonder dat de verf ging zakken.
Waar ik minder van genoot was de mannenwereld waarbinnen het werk zich
afspeelde, de dagelijkse gesprekken die niet veel verder gingen dan
voetbal, auto’s, uitgaan, zuipen en lekkere wijven! Niet persé de
onderwerpen waar mijn belangstelling toen naar uit ging. Ondertussen
was ik thuis op mijn kamertje altijd bezig van alles te maken: bouwsels
van hout, glas en doeken. Overal lampen die ik vanuit mijn bed kon
bedienen, schetsboeken vol getekende popsterren, behang naar eigen ontwerp,
enzovoorts. Ook maakte in ik die tijd plakboeken die ik op een geheime
plaats bewaarde, met foto’s en artikelen over ‘de vrije liefde’,
hippies en vaag seksueel getinte onderwerpen die ik uit de Muziekexpres,
de Panorama en andere tijdschriften knipte. Ergens
in een artikel las ik iets over een homosoos voor studentenjongeren op
de zondagavond op de Keizersgracht in Amsterdam. Ik was zestien toen ik de
stoute ‘punt’-schoenen aantrok en daarheen ging. Ik heb twee avonden
buiten op de gracht van een afstand staan kijken voor ik naar binnen
durfde. Het waren daar ‘homo’s’
die ook nog eens ‘student’ waren, dus ver boven mijn stand. Pas bij de
derde keer durfde ik naar binnen te gaan. Ik werd verwelkomd door Pater
van Kilsdonk die me meteen op mijn gemak stelde en me de daarop volgende
keren altijd even aansprak om te vragen hoe het met me ging.
Bij mijn derde bezoek werd ik gevraagd door een fotograaf om samen
met een zwarte jongen (gekleed) te poseren in zijn studio in Amsterdam.
Toen ik dit in mijn enthousiasme de volgende dag aan mijn
schildercollega’s vertelde zeiden ze: ‘dat zullen dan wel homo’s
wezen!’ Ik wist dat ik deze verschillende werelden nooit bij elkaar zou
kunnen brengen, en dat ik daar uiteindelijk weg moest. Ik
heb een tijdje saai administratief werk gedaan op een kantoor en was
voornamelijk blij dat mijn schildersoveral uitmocht. Tussen 1972 en 1976
had ik een geweldige tijd als leerling verpleger in een psychiatrisch
ziekenhuis. Ik voelde me thuis tussen de ‘patiënten’: iedereen was
‘anders’ en niemand was helemaal normaal.
We maakten goed gebruik van de vrijheid die we in die tijd hadden
om leuke en bijzondere dingen te doen met de gehospitaliseerde patiënten.
Ik herinner me een bejaarde man die al jaren lang alleen maar in een stoel
voor zich uit had zitten staren. Ik heb een doos kleurpotloden voor hem
gekocht en een tekenblok. Tot ieders verbazing heeft hij vervolgens twee
jaar lang iedere dag huizen getekend. Op de dag dat hij stierf vonden we
op zijn laatste blad een tekening van een bootje op het water. In
1975 heb ik de man leren kennen met wie ik in 2005 ook getrouwd ben.
We hebben drie kinderen waarvan we er twee samen met twee vrouwen hebben
opgevoed. Van al mijn kunstwerken zijn mijn relatie en mijn vaderschap wel
de meest belangrijke. Het vormgeven en steeds opnieuw creëren van beide
is een altijd doorgaand proces. Eind
jaren zeventig ging ik letterlijk spelen met licht en donker en vormen
bij verschillende jeugdtheatergroepen. We maakten producties die zowel in
theaters als op scholen en buurthuizen werden gespeeld. Het was iedere
keer een feest en een uitdaging om de meest onmogelijke en naargeestige
locaties om te toveren in ‘een zwarte doos’. Zodat
het decor, de spelers en het verhaal uitgelicht konden worden en de magie
van theater kon gaan werken. Kinderen waren vaak helemaal verrast over de
wonderlijke werelden die binnen hun school gecreëerd werden. Halverwege
de tachtiger jaren nam ik ontslag bij het theatergezelschap waarbij ik
vijf jaar lang de vaste vormgever was geweest. Ik had een geweldige baan
en alle vrijheid, maar ook het idee dat er meer mogelijk was! En het
verlangen groeide om iets te maken wat helemaal uit mijzelf kwam en niet
alleen in opdracht van anderen. De leegte en de onzekerheid die ik had
geschapen na het opgeven van mijn baan bleken een vruchtbare bodem te zijn
voor het experimenteren met en het vinden van een eigen vorm en stijl. In diezelfde periode wilde ik ook meer zicht krijgen op mijn gevoelsleven en mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik ging naar een weekend over ‘mannen en persoonlijk leiderschap’. Er ging een nieuwe wereld voor mij open. Ik leerde daar mijn licht ook te laten schijnen over mijn ínnerlijke schaduwen. Ik begon te begrijpen hoe en waar ik mezelf in de weg zat: mijn onderwaardering, mijn afkomst, het niet stil willen staan bij wat er in mijn leven pijn deed. Ik kwam een paar keer terug en binnen een half jaar leidde ik daar zelf groepen en paste in wezen dezelfde principes toe die ik ook in mijn kunstenaarschap hanteer: werken en spelen met de gegevens die je hebt. Stilstaan. Kijken naar wat er is. Zijn met wat er is. Je laten raken en inspireren door de bewegingen van licht en donker, kleuren en vormen. Je diepste verlangen voelen. Je ‘bliss’ volgen! '
Actuele verhalen
Voor de site van Stichting Mannenwerk schrijft Johan regelmatig een tekst in 'de geest van het mannenwerk'
'ruimzicht'
‘We
are Stardust’
Joni
Mitchell 6
februari 2010 Utrecht 6 februari 2010
familie portret 1962 ©1990 Johan van Breukelen
‘Als je denkt dat je al verlicht bent,ga
dan eens een weekje bij je familie logeren.’
‘Vrij
naar de schrijver /spiritueel leraar Ram Dass’
1 november 2009 Ik
ben geboren in
de jaren vijftig als jongste van een arbeidersgezin met acht kinderen. Een
‘nakomertje’ in een gezin waar alle patronen van hoe er met elkaar
werd omgegaan al vast lagen. Het was een groot, heftig en chaotisch gezin
in een veel te klein huis. Ik vond nauwelijks aansluiting bij het leven
van mijn oudere broers en zussen. Een deel van mij hing voortdurend de
clown uit om aandacht te trekken. Een ander deel trok zich terug en creëerde
een eigen fantasiewereld. Je
familie, het gezin waarin je bent opgegroeid, is de eerste groep mensen
waarbinnen je je gedrag ontwikkelt. Wat je als kind binnen je familie
leert over de omgang met mensen, is bepalend voor de rest van je leven.
'Alles
wat zich op je weg aandient is
een uitnodiging om te functioneren!'
(vrij naar Hella Haasse) 11 augustus 2009 Deze
week liep ik in de hete zon langs de vloedlijn Ik
doe een poging om onder woorden te brengen wat er met me gebeurt, wat ik
meemaak; de pijn, de angst, maar ook het overstijgende, en de schoonheid
van het bestaan. Net zoals ik dat heb met mijn beeldende werk, voel ik een
innerlijke noodzaak om, nu met woorden, iets nieuws te creëren en dit met
anderen te delen.
Eckhart
Tolle schrijft in ‘Een Nieuwe Aarde’: ‘In onze hedendaagse
cultuur zien niet veel mensen ziekte, ouderdom, invaliditeit, een verlies,
een persoonlijke tragedie in een of andere vorm, als een mogelijkheid voor
spiritueel ontwaken. Als dit soort dingen gebeuren met hen of iemand die
ze kennen, denken ze dat er iets vreselijk mis is, iets wat niet zou mogen
gebeuren’. Het
is een natuurlijke beweging die geldt voor alles wat leeft: Wat wordt
geboren, wat groeit en bloeit, zal ook weer verwelken en sterven! Ik heb
de afgelopen tijd gemerkt dat ik met deze ‘beweging’ goed kan zijn.
‘Zijn met wat er is!’ is wel een richtlijn van grote waarde in mijn
leven. Maar dat hoeft nog geen passiviteit of gelatenheid in te houden. De
dagen die volgden waren vol van aandacht en medische zorg, waarbij alles
erop gericht was om zo snel mogelijk weer uit bed te komen, los van alle
slangetjes en afhankelijkheid.
Gebaseerd op ervaringsverhalen van familieleden was mijn
verwachting geweest dat ik me na de operatie echt ziek zou gaan voelen,
misselijk zou zijn en pijn zou hebben. En dat ik psychisch nog wel een
terugslag
Ogen zijn blind, kijk met je hart, het belangrijkste is onzichtbaar!(uit: De Kleine Prins) Bovenstaand citaat had in de afgelopen weken een bijzondere betekenis voor mij. Ik was bezig me voor te bereiden op het leiden van een workshop voor Stichting Mannenwerk, met als thema ‘Mannen & Bezieling’, over persoonlijk leiderschap in het hier & nu. Tegelijkertijd werkte ik aan de presentatie van mijn nieuwste fotowerk, voor een komende groepsexpositie. De titel van mijn nieuwe collectie: ‘Windows'. Vensters op een wereld. Momentopnames van eeuwigheid’. Toen kreeg ik het bericht dat ik een tumor in mijn lichaam had. Leven met het besef van eindigheid is mij niet
onbekend. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig ben ik als coach en
begeleider intensief betrokken geweest bij groepen rondom hiv & aids.
De groepen bestonden uit drugsverslaafden, prostituees, homo’s,
hemofiliepatiënten, ouders, buddy’s, etc. In die tijd had je met Het was voor mij, als ‘gezonde’ man, een eer om bij deze groepen te mogen zijn. Hier heb ik echt geleerd wat het betekent om ‘te zijn met wat er is’ en ‘te doen wat je te doen staat’! Hier heb ik gezien en ervaren wat er voor potentie in mensen zit als het er op aankomt. Hier heb ik opnieuw besloten dat ik niet eerst de dood aangezegd hoef te krijgen om wakker te worden, om met meer bewustzijn te leven. Ik heb er zelfs mijn werk van gemaakt. Mede door dit jarenlange werk rondom 'bewust zijn' lukt het me dagelijks steeds beter om me te herinneren aan waar het voor mij over gaat in het leven; dat ik ‘contact maak met het nu' en dat ik probeer te ‘zijn met wat er is’. Dit is van grote waarde. Hiermee ervaar ik de diepte en de kwaliteit van mijn leven. Van hét Leven! En ik zie voortdurend mogelijkheden om het door te geven aan anderen! Nu ik zelf te maken heb met kanker in mijn lijf komt het er dus op aan! Hoe ga ik hier mee om, hoe ga ik dit doen? Na een tweede onderzoek bleek de tumor ook nog eens agressief en kwaadaardig! Dit werd me op een vrijdag verteld en op de maandag erna zou ik i.v.m mogelijke uitzaaiingen een ‘ct- scan’ krijgen. Mijn eerste reactie was: 'Als ik mijn creativiteit
maar niet kwijt raak!' En vervolgens: 'O.k., dit is dan het einde van mijn
(gezonde) leven'! Vijftig procent kans op uitzaaiingen! In dat geval
bedacht ik meteen al dat ik geen eindeloze medische behandeling zou
willen, en dat ik het allemaal zo kon loslaten als het nodig zou zijn. Ik
heb een heerlijk leven gehad en het is goed geweest! Ik was verbaasd over
hoe snel ik daar vrede mee kon hebben De dagen
hierna waren ongekend! Een kring Ik zag mezelf door een poort gaan, naar een grotere
ruimte, waar het leven nog weer intenser was. De tijd vertraagde en het
contact verdiepte zich. Al het dagelijkse (en o zo menselijke!)
‘gedoe’ verdampte en deed er niet meer toe. Wat overbleef was
zorgvuldige aandacht, ruimte en liefde. Een staat Deze dagen waren een ultieme oefening in ‘zijn met
wat er is’. Dat betekende ook dat ik contact maakte met de pijn en het
verdriet van afscheid nemen en moeten loslaten. En soms, als ik dacht aan
wat er komen ging, greep het me naar de keel. Dan haalde ik me de meest
vreselijke scenario’s in mijn hoofd. Als ik dan weer besefte wat er op
het moment werkelijk Op de dinsdag, na de derde, en veel positievere uitslag zag ik mezelf bij momenten weer langzaam terug glijden naar de ’kleinere ruimte’. Ik zag hoe aantrekkelijke het was om de kleine dagelijkse ergernissen weer aan te willen grijpen. O wonderlijke menselijke geest; vanaf het moment dat het allemaal weer wat minder urgent leek, dat ik weer mogelijkheden en extra tijd kreeg om door te leven, (en daarover zelfs een lichte teleurstelling bij mezelf opmerkte), zag ik hoe snel ik de weg terug ging naar mijn oude patronen, en hoe snel al het ‘gedoe’ er ook meteen weer was! Toch is het ook anders. Het besef Wat er nu ook komen gaat, (operatie, verder onderzoek, nieuwe uitslagen, eventuele verdere behandelingen, chemo, volledig herstel, of alsnog sterven!) er is een weg voor mij te gaan waar ik nog niet eerder ben geweest. Ik realiseer me dat velen die moeten gaan en dat velen me al zijn voorgegaan. Mijn persoonlijke ‘kankerverhaal’ is in die zin niet zo uniek. Ik voel me nieuwsgierig naar wat er komen gaat en soms ben ik bang, meestal als ik teveel op de zaken vooruit loop. Waar ik nu kracht uit haal is: dat alles waar ik de afgelopen jaren mee gewerkt heb, nu voor míj werkt! Op de workshops van het mannenwerk citeer ik vaak ‘Geen stap die je zet blijft zonder gevolgen. Elke weg wordt stap voor stap begaan. Geen woord dat je spreekt laat de wereld onveranderd. Aarzel niet om te spreken!’ Dit citaat geeft voor mij aan dat onze individuele
levens niet los van elkaar staan, en dat ook de kleinste dingen die we
doen en zeggen er toe doen voor het grote geheel! Vaak kunnen we niet
verder kijken dan naar wat we denken te zien, en blijven we hangen 15 Juli 2009
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|